zaterdag 17 december 2011

donderdag 10 november 2011

MER-omzendbrief LNE 2011/1 van 22 juli 2011 kan pijn doen in de sector van handelsvestigingen!

 Tot op vandaag (bijlage II bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage) was er enkel MER-plicht (of MER-ontheffingsplicht) voor winkelcentra in stadontwikkelingsprojecten :

- met een brutovloeroppervlakte van 5.000 m2 handelsruimte of meer, of
- met een verkeersgenererende werking van pieken van 1000 of meer personenauto-equivalenten per tijdsblok van 2 uur

Sinds de omzendbrief LNE 2011/1 van 22 juli 2011“Milieu-effectbeoordeling en vergunningverlening voor bepaalde projecten tengevolge van het arrest van het hof van justitie van 24 maart 2011” liggen de zaken moeilijker.

In het arrest van 24 maart 2011 oordeelde het Hof van Justitie dat de Vlaamse regelgeving niet in overeenstemming is met een aantal bepalingen van richtlijn 85/337/EEG omdat zij een aantal projecten die zijn opgenomen in bijlage II van die richtlijn, alleen op basis van het criterium omvang van het project uitsluit van een zogenaamde screening, dit is zonder rekening te houden met andere relevante criteria, o.m. m.b.t. de aard en de ligging van het project.

In de omzendbrief wordt de bijlage II als volgt wordt "gewijzigd":

"10. Infrastructuurprojecten.

b) Stadsontwikkelingsprojecten, met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen."

De drempels vallen dus weg!  Elk winkelcentrum (een ongedefinieerd begrip) "in" of "als" een stadsontwikkelingsproject (dit wordt op dit ogenblik ruim begrepen) dreigt onder het toepassingsgebied van de omzendbrief te vallen.
Volgend stappenplan wordt voorgesteld in de omzendbrief:

“1. Is het project dat voorwerp vormt van de vergunningsaanvraag, opgenomen in bijlage I van het Project-m.e.r.-besluit?
Ja, het project valt onder één van de activiteiten genoemd in bijlage I van het Project-m.e.r.-besluit en het overschrijdt de vermelde drempelwaarde.
In dat geval moet voor het project een door de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid (Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid) goedgekeurd milieueffectrapport deel uitmaken van de vergunningsaanvraag en valt het voorgenomen project niet onder het toepassingsgebied van deze omzendbrief. Voor de opmaak van het milieueffectrapport voor het voorgenomen project is het D.A.B.M. van toepassing
Nee, ga naar vraag 2.
2. Is het project dat het voorwerp vormt van de vergunningsaanvraag, opgenomen in bijlage II van het Project-m.e.r.-besluit?
Ja, het project valt onder één van de activiteiten genoemd in bijlage II van het Project-m.e.r.-besluit en het overschrijdt de vermelde drempelwaarde.
In dat geval moet er voor het project een door de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid goedgekeurd milieueffectrapport of een door de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid opgestelde ontheffingsbeslissing deel uitmaken van de vergunningsaanvraag en valt het voorgenomen project niet onder het toepassingsgebied van deze omzendbrief. Voor de opmaak van het milieueffectrapport of een verzoek tot ontheffing voor het voorgenomen project is het D.A.B.M. van toepassing
Nee, ga naar vraag 3.
3. Is het voorgenomen project vermeld in de lijst (11) die is opgenomen in de bijlage bij deze omzendbrief ?
Ja, dan valt het voorgenomen project onder het toepassingsgebied.
Nee, dan valt het voorgenomen project niet onder het toepassingsgebied en hoeven er voor de milieueffectbeoordeling geen verdere acties ondernomen te worden.
De richtsnoeren van deze omzendbrief zijn zowel van toepassing op nieuwe als op reeds hangende vergunningsaanvragen.”


Voor de goede orde.  De wijziging van een besluit van de Vlaamse regering door een omzendbrief is juridisch betwistbaar., zelfs indien de overheid daartoe "gedwongen" wordt onder druk van een arrest van het Hof van Justitie.

De situatie lijkt op heden als volgt:

- voor de grotere winkelcentra (  met een brutovloeroppervlakte van 5.000 m2 handelsruimte of meer, of
met een verkeersgenererende werking van pieken van 1000 of meer personenauto-equivalenten per tijdsblok van 2 uur) is een MER of een MER-ontheffing (na screening) vereist zoals voordien

- voor de kleinere winkelcentra is in de stedenbouwkundige- en de milieuvergunning* tenminste een MER-motivering vereist.  Deze neemt als het ware de vorm aan van een MER-toets, zoals ook een watertoets bestaat of een natuurtoets.  Het is aangewezen dat in de aanvraag ten behoeve van de vergunningverlenende overheid voldoende informatie wordt aangereikt waarin wordt aangegegeven waarom het project van handelsvestiging niet moet onderworpen worden aan een echt milieueffectenrapport.  Men denkt dan in de eerste plaats, maar niet uitsluitend, aan de mobilteitseffecten, maar ook aan andere hinbereffecten

* Of de MER-verplichtingen ook gelden voor een sociaal-economische vergunning lijkt nog niet geheel uitgeklaard.

dinsdag 11 oktober 2011

Regionalisering het handelsvestigingenbeleid nakend?

Reeds vele jaren is er sprake van de regionalisering van de bevoegdheden inzake handelsvestigingen. Enkele jaren geleden behoorde deze bevoegdheid tot de zogenaamde "borrelnootjes" van de staatshervorming, die echter nooit werden uitgevoerd.

Zonet werd nota Di Rupo voorgesteld, officieel getiteld "Een efficiëntere federale staat en een grotere autonomie voor de deelstaten. Institutioneel akkoord voor de zesde staatshervorming".

Inzake het economische en industrieel beleid (pagina 40) worden onder meer overgedragen:

"Vergunningsbeleid inzake handelsvestigingen / Nationaal SociaalEconomisch Comité voor de Distributie

Naar de Gewesten 

Bij de overdracht zal in een verplicht overleg  voorzien worden, volgens nog te bepalen  modaliteiten, voor projecten in zones die aan  een ander Gewest grenzen én door hun  omvang en aantrekkingskracht een impact  kunnen hebben op een of meerdere andere Gewesten"

De startnota Winkelen in Vlaanderen, die de Vlaamse regering op 16 juli 2010 goedkeurde, stelde reeds dat de regionalisering van deze bevoegdheid zou worden voorbereid.

Ook belangrijk inzake handelsvestigingen: de gewesten worden eveneens bevoegd voor de wetgeving inzake handelshuur.

Op onze blog Grondwettelijkrecht.info gaan wij wat dieper in op enkele aspecten van de nota Di Rupo.

dinsdag 16 augustus 2011

Geen functiewijziging meer mogelijk voor handelsvestigingen in industriegebied

Artikel 4.4.23, eerste lid, 2° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening maakte het mogelijk dat een stedenbouwkundige vergunning kon bekomen worden voor het geheel of gedeeltelijk wijzigen van het gebruik van een bestaand gebouw of gebouwencomplex gelegen in een industriegebied in de ruime zin, in een nieuwe functie die behoort tot de functiecategorie ‘handel, horeca, kantoorfunctie of diensten’, mits aan al de volgende voorwaarden was voldaan:

- In de ruimere omgeving van het gebouw of gebouwencomplex komen nog gebouwen voor met de vergunde functie ‘handel, horeca, kantoorfunctie of diensten’
-  Indien op het industriegebed in kwestie meer dan 3 bedrijven gevestigd zijn, dan hebben minstens 50% van de bedrijven van dat industriegebied reeds een vergunde hoofdfunctie ‘handel, horeca, kantoorfunctie of diensten

Dankzij deze uitzonderingsbepaling kon een "gedesaffecteerde" industrieel gebouw in een industriegebied (gebied dat in de loop der geschiedenis de facto grotendeels was omgevormd tot retailzone) alsnog met een stedenbouwkundige vergunning voor een functiewijziging omgevormd worden tot een handelsvestiging . Het industrieterrein kon daardoor in feite volledig retailzone worden.

Aan de mogelijkheid is nu een einde gesteld. Met het besluit van 15 juli 2011, dat vandaag in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd, wordt de lijst van toelaatbare functiewijzigingen herzien. Voortaan zal het voor gebouwen of gebouwencomplexen in industriegebied niet langer mogelijk zijn een functiewijziging tot "handel of horeca" te ondergaan.

dinsdag 2 augustus 2011

Geen vanzelfsprekend belang om voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen de stedenbouwkundige vergunning voor een concurrerende handelsvestiging aan te vechten

De Raad voor Vergunningsbetwistingen verwerpt in een arrest nr. S/2011/0079 van 19 juli 2011, de vordering van een concurrerende winkelexploitant tegen de stedenbouwkundige vergunning voor een nieuw supermarktgebouw als volgt:

“Om als derde belanghebbenden bij de Raad een beroep te kunnen instellen, vereist artikel 4.8.16, §1, eerste lid 3° VCRO dat de verzoekende partijen, als natuurlijke personen of als rechtspersonen, rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kunnen ondervinden ingevolge de bestreden vergunningsbeslissing.

Artikel 4.8.16, §1, eerste lid, 3° VCRO vereist derhalve niet dat het bestaan van deze hinder of nadelen absoluut zeker is. Wel zullen de verzoekende partijen het mogelijk bestaan van deze hinder of nadelen voldoende waarschijnlijk moeten maken, de aard en de omvang ervan voldoende concreet moeten omschrijven en tegelijk zullen de verzoekende partijen dienen aan te tonen dat er een rechtstreeks of onrechtstreeks causaal verband kan bestaan tussen de uitvoering of de realisatie van de vergunningsbeslissing en de hinder of nadelen die zij ondervinden of zullen ondervinden.

In voorkomend geval zullen de verzoekende partijen beschikken over het rechtens vereiste belang om conform artikel 4.8.16 §1, eerste lid, 3° VCRO een beroep in te dienen bij de Raad.

De Raad is van oordeel dat het loutere nabuurschap, dan wel de beschikking over zakelijke of persoonlijke rechten met betrekking tot aanpalende en alsnog onbebouwde percelen, op zich niet zonder meer kan volstaan om de verzoekende partijen het rechtens vereiste belang bij het voorliggende beroep te verschaffen.

De Raad stelt vooreerst vast dat de verzoekende partijen nalaten aan te tonen hoe de ligging van hun perceel zich verhoudt met het geplande project, en op welke wijze zij bijgevolg op basis daarvan eventuele hinder zouden kunnen ondervinden bij de uitvoering van de bestreden beslissing.

Daarnaast duiden de verzoekende partijen in het onderdeel “Moeilijk te herstellen ernstig nadeel”, zij het in uiterst rudimentaire bewoordingen, enerzijds wel aan welke grieven zij koesteren ten aanzien van de bestreden beslissing, toch anderzijds stelt de Raad vast dat de verzoekende partijen nalaten een persoonlijk geïndividualiseerd verband aan te tonen tussen het vermeend nadeel dat zij lijden en de bestreden beslissing. Eveneens stelt de Raad vast dat er geen voldoende concrete omschrijving wordt gegeven van de aard en de omvang van het vermeend te lijden persoonlijk nadeel.

In het licht hiervan merkt de Raad op dat enkel het inleidend verzoekschrift, al dan niet na regularisatie conform artikel 4.8.17, §2 VCRO, in aanmerking kan genomen worden als principieel uitgangspunt voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep, en dus ook voor het belang van de verzoekende partijen. De Raad kan bijgevolg geen rekening houden met latere bijsturingen, aanpassingen of uitbreidingen van het belang zoals mondeling toegelicht ter zitting, wanneer dient vastgesteld te worden dat deze reeds in het inleidend verzoekschrift hadden kunnen verwoord worden.

Het belang dat de verzoekende partijen inroepen valt samen met het belang van een groep personen, namelijk deze van de handelszaken gelegen in het centrum, en kan dus niet als een persoonlijk belang worden aangemerkt.
De verzoekende partijen kunnen als enkelingen niet in naam van de hele handelskern of de buurtgemeenschap optreden. Het feit dat zij een kruidenierszaak uitbaten in deze handelskern doet aan voormelde vaststelling geen afbreuk. Zij tonen in verband met hun kruidenierszaak geen enkel geïndividualiseerd verband aan tussen enig vermeend persoonlijk nadeel en de bestreden beslissing.
Bij gebrek aan een voldoende geïndividualiseerd persoonlijk belang en een voldoende concreet omschreven persoonlijk nadeel kan de Raad het belang van de verzoekende partijen bij de voorliggende procedure, en dus al evenmin het al dan niet geoorloofd en wettig karakter ervan, niet onderzoeken zodat noodzakelijk de onontvankelijkheid van het beroep dient vastgesteld te worden.

De exceptie dient aanvaard te worden.”

Wet Economische Expansie voorziet niet in vergoeding voor overheid bij doorverkoop

Artikel 32 van de wet van 30 december 1970 op de economische expansie geeft reeds jaren aanleiding tot van juridische betwistingen. Het hof van Cassatie heeft recent alvast één twistpunt beslecht.

De bepaling handelt over gronden die door een openbare rechtspersoon (veelal een gemeente of een intercommunale) werden aangeboden "voor de nijverheid, het ambachtswezen of de diensten". Ondernemingen die dergelijke gronden verwierven, moeten de economische activiteit blijven uitbaten. De overheid die de grond aanbood, beschikt over een terugkooprecht aan een voordelige prijs indien niet aan deze voorwaarde is voldaan. Ook het doorverkopen van de grond is onderworpen aan de toestemming van deze overheid.

In een arrest van 26 november 2010 oordeelde het Hof van Cassatie dat de overheid de toestemming om het goed te verkopen niet afhankelijk mag maken van een vergoeding. De gerealiseerde meerwaarde mag met andere woorden niet worden afgeroomd:

"Nochtans, op voorwaarde dat de openbare rechtspersoon hiermede instemt, zal de gebruiker het goed weer kunnen verkopen, in welk geval de akte van wederverkoop de hierboven vermelde clausules moet bevatten.

Uit die bepaling blijkt niet dat de overheid het verlenen van haar instemming met de wederverkoop van het betrokken goed krachtens artikel 32, §1, derde lid, Expansiewet, vermag afhankelijk te maken van het afstaan door de wederverkoper van de gerealiseerde meerwaarde.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht."