zondag 1 april 2012

Programmawet van 29 maart 2012 herstelt termijnregeling van Handelsvestigenwet

Nog maar kort geleden hebben we u bericht over het arrest nr. 217.388 van de Raad van State van 19 januari 2012 waarbij de termijnregeling van artikel 8 Handelsvestigingenwet op de helling werd gezet.

Dit artikel luidde als volgt:

“§ 1. Wanneer het ontwerp van handelsvestiging een netto handelsoppervlakte tussen 400 en 1 000 m2 beslaat, stuurt de burgemeester of zijn afgevaardigde binnen vijf dagen na de aflevering van het indieningbewijs, bedoeld in artikel 5, tweede lid, een kopie van het aanvraagdossier door naar het secretariaat van het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie. Binnen vijftig dagen na de aflevering van dit indieningbewijs betekent het college van burgemeester en schepenen zijn beslissing aan de aanvrager en aan het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie.
Wanneer de aanvraag niet volledig is, licht het college van burgemeester en schepenen de aanvrager hieromtrent in bij een ter post aangetekend schrijven dat de termijnen bedoeld in het eerste lid schorst.
§ 2. Wanneer het ontwerp van handelsvestiging een netto handelsoppervlakte beslaat die groter is dan 1 000 m2, betekent het college van burgemeester en schepenen zijn beslissing aan de aanvrager en aan het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie binnen zeventig dagen na de aflevering van het ontvangstbericht of na de afloop van de termijn voor de betekening, bedoeld in artikel 6, § 2.
§ 3. Bij ontstentenis van een beslissing van het college van burgemeester en schepen binnen de termijnen voorzien in de paragrafen 1 en 2, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.”

De Raad van State werd geconfronteerd met een situatie waarin het college van burgemeester en schepenen weliswaar een beslissing had genomen binnen de wettelijke termijn van 70 dagen (in de procedure bij grote handelsvestigingen met een netto-handelsoppervlakte van meer dan 1.000 m²), maar nagelaten had om deze beslissing te betekenen binnen de 70 dagen-termijn. Daardoor stelde verzoekende partij te beslissen over een stilzwijgende sociaal-economische vergunning (artikel 8 §3 Handelsvestigingenwet).

De Raad van State zag het anders:

“Considérant que, dans son dernier mémoire, elle revient sur la première branche du moyen et répète son argumentation consistant à soutenir que non seulement la décision doit être prise dans un certain délai mais aussi notifiée dans le même délai; qu'elle se réfère aux travaux préparatoires qui ont insisté sur l'objectif de sécurité juridique voulu par le législateur qui a imposé des délais de rigueur, objectif qui ne serait pas rencontré si le délai concerne seulement la décision et non sa notification; qu'elle se réfère à nouveau à la réponse ministérielle à une question parlementaire, laquelle a confirmé cette interprétation; qu'elle soutient par ailleurs que "c'est l'acte administratif, à savoir l'acte qui modifie l'ordonnancement juridique qui doit être notifié, en l'espèce, la décision du collège elle-même";

Considérant que la loi du 13 août 2004 relative à l'autorisation d'implantations commerciales dispose ce qui suit en son article 8, §§ 2 et 3 :

" § 2. Lorsque le projet d'implantation commerciale présente une surface commerciale nette supérieure à 1000 m², le collège [communal] notifie sa décision au demandeur et au [C.S.E.N.D.] dans les septante jours à dater de la délivrance de l'accusé de réception ou de l'expiration du délai pour le notifier visé par l'article 6, § 2.
§ 3. A défaut de décision du collège [communal] dans les délais prévus par les paragraphes 1er et 2, la décision est réputée favorable";

Considérant que, si aux termes de l'article 8, § 2, précité, le collège communal doit prendre et notifier sa décision dans un certain délai, ce n'est cependant, selon l'article 8, § 3, précité, qu'en l'absence de "décision" de cet organe XIII - 5676 - 8/15 que le demandeur peut se prévaloir d'une décision réputée favorable; qu'il en résulte que le législateur n'a assorti d'une sanction, celle de l'autorisation tacite, que le dépassement du  délai pour prendre une décision; que s'il avait voulu assortir de la même sanction l'absence de notification dans le délai, il n'aurait pas manqué de le spécifier, comme il l'a fait du reste à l'article 11, § 7, de la loi du 13 août 2004, qui dispose qu'" défaut de notification de la décision [du Comité interministériel pour la distribution] dans les délais prévus au § 5, la décision attaquée est considérée comme confirmée"; Considérant que les travaux préparatoires confirment cette interprétation en mentionnant à plusieurs reprises que ce n'est que si le collège des bourgmestre et échevins néglige de "statuer" que le demandeur de permis socio-économique peut se prévaloir d'une autorisation tacite (Doc. parl., Ch., 2003-2004, n° 1035/1, p. 32 et n° 1035/7, Rapport de la Commission, pp. 6 et 15); que l'interprétation donnée par le ministre lors 'une question parlementaire ne peut prévaloir sur le texte clair de la disposition;

Considérant qu'en l'occurrence, le secrétaire du C.S.E.N.D. a accusé réception du dossier complet de demande de permis socio-économique, le 26 février 2010, c'est-à-dire moins de septante jours avant le 5 mai 2010, date de la décision prise par le collège communal de Charleroi; que celle-ci a dès lors bien été prise dans le délai prescrit; qu'il en résulte que la partie requérante ne pouvait se prévaloir d'une décision tacite favorable; que le premier moyen n'est pas fondé en sa première branche;”

Aldus volstond het dat de beslissing werd genomen binnen de wettelijke termijn van 70 dagen.  De betekening mocht dan later volgen.

De wetgever heeft deze verrassende rechtspraak meteen gecorrigeerd door artikel 8 § 3 Handelsvestigingenwet als volgt te wijzigen:

"§ 3. Bij ontstentenis van betekening van de beslissing van het college van burgemeester en schepen binnen de termijnen voorzien in de paragrafen 1 en 2, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.”
En zo is alles terug bij het oude...


Referentie: artikel 22 van de wet houdendediverse bepalingen (I) van 29 maart 2012, BS 30 maart 2012 

zondag 19 februari 2012

Zijn assortimentsbeperkingen in ruimtelijke uitvoeringsplannen en stedenbouwkundige vergunningen mogelijk?

De gemeente Zwevegem is alvast de mening toegedaan dat dit het geval is, ten bewijze een stedenbouwkundige vergunningsbeslissing van 11 januari 2012 waarin als voorwaarde wordt opgenomen bij de aanvraag van een gebouwencomplex met daarin 8 winkels:

“Alle bestemmings- en inrichtingsvoorwaarden van het RUP (…) dienen stipt nageleefd te worden, in het bijzonder met betrekking tot de voorwaarden voor de handelsactiviteiten. De handelsactiviteiten kunnen enkel betrekking hebben op volumineuze goederen die voorzien in de secundaire, occasionele behoefte van de consument. Volumineuze goederen zijn artikelen die veel winkelruimte innemen en op niet-dagdagelijkse basis aangekocht worden. Er worden geen kledingzaken en geen detailhandel van dagdagelijkse inkopen toegelaten. De verkoopsoppervlakte van een handelsunit wordt beperkt tot 750 m².”

Referentie: Sted. verg. Zwevegem, 11 januari 2012, ng. (PUB 1020-1)
(HLN 21/01; HN 23/01)


vrijdag 17 februari 2012

De beslissingstermijnen in de Handelsvestigingenwet zijn niet wat ze lijken te zijn

Artikel 8 van de Handelsvestigingenwet luidt als volgt :

“§ 1. Wanneer het ontwerp van handelsvestiging een netto handelsoppervlakte tussen 400 en 1 000 m2 beslaat, stuurt de burgemeester of zijn afgevaardigde binnen vijf dagen na de aflevering van het indieningbewijs, bedoeld in artikel 5, tweede lid, een kopie van het aanvraagdossier door naar het secretariaat van het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie. Binnen vijftig dagen na de aflevering van dit indieningbewijs betekent het college van burgemeester en schepenen zijn beslissing aan de aanvrager en aan het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie.
Wanneer de aanvraag niet volledig is, licht het college van burgemeester en schepenen de aanvrager hieromtrent in bij een ter post aangetekend schrijven dat de termijnen bedoeld in het eerste lid schorst.
§ 2. Wanneer het ontwerp van handelsvestiging een netto handelsoppervlakte beslaat die groter is dan 1 000 m2, betekent het college van burgemeester en schepenen zijn beslissing aan de aanvrager en aan het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie binnen zeventig dagen na de aflevering van het ontvangstbericht of na de afloop van de termijn voor de betekening, bedoeld in artikel 6, § 2.
§ 3. Bij ontstentenis van een beslissing van het college van burgemeester en schepen binnen de termijnen voorzien in de paragrafen 1 en 2, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.”

De Raad van State werd geconfronteerd met een situatie waarin het college van burgemeester en schepenen weliswaar een beslissing had genomen binnen de wettelijke termijn van 70 dagen (in de procedure bij grote handelsvestigingen met een netto-handelsoppervlakte van meer dan 1.000 m²), maar nagelaten had om deze beslissing te betekenen binnen de 70 dagen-termijn. Daardoor stelde verzoekende partij te beslissen over een stilzwijgende sociaal-economische vergunning (artikel 8 §3 Handelsvestigingenwet).

De Raad van State ziet het anders in het arrest nr. 217.388 van 19 januari 2012:

“Considérant que, dans son dernier mémoire, elle revient sur la première branche du moyen et répète son argumentation consistant à soutenir que non seulement la décision doit être prise dans un certain délai mais aussi notifiée dans le même délai; qu'elle se réfère aux travaux préparatoires qui ont insisté sur l'objectif de sécurité juridique voulu par le législateur qui a imposé des délais de rigueur, objectif qui ne serait pas rencontré si le délai concerne seulement la décision et non sa notification; qu'elle se réfère à nouveau à la réponse ministérielle à une question parlementaire, laquelle a confirmé cette interprétation; qu'elle soutient par ailleurs que "c'est l'acte administratif, à savoir l'acte qui modifie l'ordonnancement juridique qui doit être notifié, en l'espèce, la décision du collège elle-même";

Considérant que la loi du 13 août 2004 relative à l'autorisation d'implantations commerciales dispose ce qui suit en son article 8, §§ 2 et 3 :

" § 2. Lorsque le projet d'implantation commerciale présente une surface commerciale nette supérieure à 1000 m², le collège [communal] notifie sa décision au demandeur et au [C.S.E.N.D.] dans les septante jours à dater de la délivrance de l'accusé de réception ou de l'expiration du délai pour le notifier visé par l'article 6, § 2.
§ 3. A défaut de décision du collège [communal] dans les délais prévus par les paragraphes 1er et 2, la décision est réputée favorable";

Considérant que, si aux termes de l'article 8, § 2, précité, le collège communal doit prendre et notifier sa décision dans un certain délai, ce n'est cependant, selon l'article 8, § 3, précité, qu'en l'absence de "décision" de cet organe XIII - 5676 - 8/15 que le demandeur peut se prévaloir d'une décision réputée favorable; qu'il en résulte que le législateur n'a assorti d'une sanction, celle de l'autorisation tacite, que le dépassement du  délai pour prendre une décision; que s'il avait voulu assortir de la même sanction l'absence de notification dans le délai, il n'aurait pas manqué de le spécifier, comme il l'a fait du reste à l'article 11, § 7, de la loi du 13 août 2004, qui dispose qu'" défaut de notification de la décision [du Comité interministériel pour la distribution] dans les délais prévus au § 5, la décision attaquée est considérée comme confirmée"; Considérant que les travaux préparatoires confirment cette interprétation en mentionnant à plusieurs reprises que ce n'est que si le collège des bourgmestre et échevins néglige de "statuer" que le demandeur de permis socio-économique peut se prévaloir d'une autorisation tacite (Doc. parl., Ch., 2003-2004, n° 1035/1, p. 32 et n° 1035/7, Rapport de la Commission, pp. 6 et 15); que l'interprétation donnée par le ministre lors 'une question parlementaire ne peut prévaloir sur le texte clair de la disposition;

Considérant qu'en l'occurrence, le secrétaire du C.S.E.N.D. a accusé réception du dossier complet de demande de permis socio-économique, le 26 février 2010, c'est-à-dire moins de septante jours avant le 5 mai 2010, date de la décision prise par le collège communal de Charleroi; que celle-ci a dès lors bien été prise dans le délai prescrit; qu'il en résulte que la partie requérante ne pouvait se prévaloir d'une décision tacite favorable; que le premier moyen n'est pas fondé en sa première branche;”

zaterdag 17 december 2011

Lees de nieuwe omzendbrief "Grootschalige Detailhandel" van 9 december 2011

Hier kan je de nog niet gepubliceerde omzendbrief al vinden.

PS.  Gepubliceerd in Belgisch Staatsblad van vandaag, 17 febuari 2012

donderdag 10 november 2011

MER-omzendbrief LNE 2011/1 van 22 juli 2011 kan pijn doen in de sector van handelsvestigingen!

 Tot op vandaag (bijlage II bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage) was er enkel MER-plicht (of MER-ontheffingsplicht) voor winkelcentra in stadontwikkelingsprojecten :

- met een brutovloeroppervlakte van 5.000 m2 handelsruimte of meer, of
- met een verkeersgenererende werking van pieken van 1000 of meer personenauto-equivalenten per tijdsblok van 2 uur

Sinds de omzendbrief LNE 2011/1 van 22 juli 2011“Milieu-effectbeoordeling en vergunningverlening voor bepaalde projecten tengevolge van het arrest van het hof van justitie van 24 maart 2011” liggen de zaken moeilijker.

In het arrest van 24 maart 2011 oordeelde het Hof van Justitie dat de Vlaamse regelgeving niet in overeenstemming is met een aantal bepalingen van richtlijn 85/337/EEG omdat zij een aantal projecten die zijn opgenomen in bijlage II van die richtlijn, alleen op basis van het criterium omvang van het project uitsluit van een zogenaamde screening, dit is zonder rekening te houden met andere relevante criteria, o.m. m.b.t. de aard en de ligging van het project.

In de omzendbrief wordt de bijlage II als volgt wordt "gewijzigd":

"10. Infrastructuurprojecten.

b) Stadsontwikkelingsprojecten, met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen."

De drempels vallen dus weg!  Elk winkelcentrum (een ongedefinieerd begrip) "in" of "als" een stadsontwikkelingsproject (dit wordt op dit ogenblik ruim begrepen) dreigt onder het toepassingsgebied van de omzendbrief te vallen.
Volgend stappenplan wordt voorgesteld in de omzendbrief:

“1. Is het project dat voorwerp vormt van de vergunningsaanvraag, opgenomen in bijlage I van het Project-m.e.r.-besluit?
Ja, het project valt onder één van de activiteiten genoemd in bijlage I van het Project-m.e.r.-besluit en het overschrijdt de vermelde drempelwaarde.
In dat geval moet voor het project een door de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid (Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid) goedgekeurd milieueffectrapport deel uitmaken van de vergunningsaanvraag en valt het voorgenomen project niet onder het toepassingsgebied van deze omzendbrief. Voor de opmaak van het milieueffectrapport voor het voorgenomen project is het D.A.B.M. van toepassing
Nee, ga naar vraag 2.
2. Is het project dat het voorwerp vormt van de vergunningsaanvraag, opgenomen in bijlage II van het Project-m.e.r.-besluit?
Ja, het project valt onder één van de activiteiten genoemd in bijlage II van het Project-m.e.r.-besluit en het overschrijdt de vermelde drempelwaarde.
In dat geval moet er voor het project een door de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid goedgekeurd milieueffectrapport of een door de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid opgestelde ontheffingsbeslissing deel uitmaken van de vergunningsaanvraag en valt het voorgenomen project niet onder het toepassingsgebied van deze omzendbrief. Voor de opmaak van het milieueffectrapport of een verzoek tot ontheffing voor het voorgenomen project is het D.A.B.M. van toepassing
Nee, ga naar vraag 3.
3. Is het voorgenomen project vermeld in de lijst (11) die is opgenomen in de bijlage bij deze omzendbrief ?
Ja, dan valt het voorgenomen project onder het toepassingsgebied.
Nee, dan valt het voorgenomen project niet onder het toepassingsgebied en hoeven er voor de milieueffectbeoordeling geen verdere acties ondernomen te worden.
De richtsnoeren van deze omzendbrief zijn zowel van toepassing op nieuwe als op reeds hangende vergunningsaanvragen.”


Voor de goede orde.  De wijziging van een besluit van de Vlaamse regering door een omzendbrief is juridisch betwistbaar., zelfs indien de overheid daartoe "gedwongen" wordt onder druk van een arrest van het Hof van Justitie.

De situatie lijkt op heden als volgt:

- voor de grotere winkelcentra (  met een brutovloeroppervlakte van 5.000 m2 handelsruimte of meer, of
met een verkeersgenererende werking van pieken van 1000 of meer personenauto-equivalenten per tijdsblok van 2 uur) is een MER of een MER-ontheffing (na screening) vereist zoals voordien

- voor de kleinere winkelcentra is in de stedenbouwkundige- en de milieuvergunning* tenminste een MER-motivering vereist.  Deze neemt als het ware de vorm aan van een MER-toets, zoals ook een watertoets bestaat of een natuurtoets.  Het is aangewezen dat in de aanvraag ten behoeve van de vergunningverlenende overheid voldoende informatie wordt aangereikt waarin wordt aangegegeven waarom het project van handelsvestiging niet moet onderworpen worden aan een echt milieueffectenrapport.  Men denkt dan in de eerste plaats, maar niet uitsluitend, aan de mobilteitseffecten, maar ook aan andere hinbereffecten

* Of de MER-verplichtingen ook gelden voor een sociaal-economische vergunning lijkt nog niet geheel uitgeklaard.

dinsdag 11 oktober 2011

Regionalisering het handelsvestigingenbeleid nakend?

Reeds vele jaren is er sprake van de regionalisering van de bevoegdheden inzake handelsvestigingen. Enkele jaren geleden behoorde deze bevoegdheid tot de zogenaamde "borrelnootjes" van de staatshervorming, die echter nooit werden uitgevoerd.

Zonet werd nota Di Rupo voorgesteld, officieel getiteld "Een efficiëntere federale staat en een grotere autonomie voor de deelstaten. Institutioneel akkoord voor de zesde staatshervorming".

Inzake het economische en industrieel beleid (pagina 40) worden onder meer overgedragen:

"Vergunningsbeleid inzake handelsvestigingen / Nationaal SociaalEconomisch Comité voor de Distributie

Naar de Gewesten 

Bij de overdracht zal in een verplicht overleg  voorzien worden, volgens nog te bepalen  modaliteiten, voor projecten in zones die aan  een ander Gewest grenzen én door hun  omvang en aantrekkingskracht een impact  kunnen hebben op een of meerdere andere Gewesten"

De startnota Winkelen in Vlaanderen, die de Vlaamse regering op 16 juli 2010 goedkeurde, stelde reeds dat de regionalisering van deze bevoegdheid zou worden voorbereid.

Ook belangrijk inzake handelsvestigingen: de gewesten worden eveneens bevoegd voor de wetgeving inzake handelshuur.

Op onze blog Grondwettelijkrecht.info gaan wij wat dieper in op enkele aspecten van de nota Di Rupo.